Wat betekent erkenning voor slachtoffers en nabestaanden van een misdrijf? Voor de een is het voldoende om gehoord en geloofd te worden, terwijl de ander behoefte heeft aan een schuldbekentenis, een oprechte spijtbetuiging of een passende straf. Erkenning is persoonlijk en laat zich niet zomaar afdwingen.
Jos de Keijser deed jarenlang onderzoek bij slachtoffers en nabestaanden en zag dat erkenning een belangrijke, maar onderbelichte stap is naar herstel. Hij nodigde wetenschappers, ervaringsdeskundige, juristen en beleidsmakers uit om mee te werken aan deze bundel.
In de bundel Erkenning na onrecht staat de betekenis van erkenning voor slachtoffers en nabestaanden centraal. Welke rol speelt het strafrecht hierin, en wat gebeurt er als een veroordeling uitblijft of een dader geen verantwoordelijkheid neemt? In het voorwoord reflecteert rechtbankverslaggever Saskia Belleman op deze vragen. Aan de hand van aangrijpende strafzaken en haar ervaringen in de rechtszaal laat ze zien hoe belangrijk erkenning kan zijn, maar ook waar de grenzen van het strafrecht liggen. Lees het voorwoord hieronder.

Erkenning is voor iedereen anders
‘Hij mag straks zijn leven weer oppakken als zijn straf erop zit, maar wíj hebben levenslang.’
Het is de uitspraak die je het vaakst hoort uit de mond van slachtoffers en nabestaanden die in de zittingszalen van rechtbanken gebruikmaken van hun spreekrecht. Dat is ook zo. Het leed dat is aangericht kan nooit meer ongedaan worden gemaakt. In die zin staat een rechter machteloos. De hartenkreet klinkt alsof elke achterblijver een dader liefst zo lang mogelijk achter de tralies ziet verdwijnen. Maar als de praktijk én deze bundel een ding duidelijk maken, dan is het dat ‘erkenning’ voor iedereen iets anders betekent.
Voor het ene slachtoffer is een schuldbekentenis en een oprechte spijtbetuiging van de verdachte voor het aangedane leed voldoende, terwijl het andere wil dat er pijnlijke gevolgen voor die verdachte aan worden verbonden. Die moet voelen wat hij heeft aangericht en dat kan alleen door oplegging van een hoge gevangenisstraf, eventueel in combinatie met de verplichting om een royale schadevergoeding te betalen. Hoewel dat laatste uit de hand van een dader niet altijd op prijs wordt gesteld door zedenslachtoffers, blijkt uit het hoofdstuk van Arlette Schijns en Dorine den Besten. Die willen dat besmette geld niet en krijgen liever een uitkering van het Schadefonds Geweldsmisdrijven.
Gehoord en geloofd worden
Hoe belangrijk erkenning is, zelfs als die niet van de dader komt, illustreert het verhaal van zangeres Jill Helena. Zij was de enige van de drie slachtoffers van Ali B. die met lege handen stond na het strafproces waarin de rapper zich moest verantwoorden voor verkrachtingen en aanrandingen. Toch voelde dat niet zo, vertelde ze na afloop. Dat Ali B. niet werd veroordeeld voor aanranding van Jill Helena kwam door het ontbreken van steunbewijs, niet omdat de rechtbank haar niet geloofde. Zo stond het zwart op wit in het vonnis. Ali B. bleef ontkennen dat hij tegenover haar over de schreef was gegaan, maar dat de rechtbank zei haar te geloven, vond Jill Helena eigenlijk erkenning genoeg. Al zal hebben geholpen dat Ali B. wel werd veroordeeld voor verkrachting van de andere twee slachtoffers.
Voor anderen is erkenning meer dan alleen geloofd worden. De nabestaanden van de 298 passagiers en bemanningsleden van de neergeschoten vlucht MH17 wisten dat geen enkele verdachte zich zou komen verantwoorden en dat niemand een gevangenisstraf zou uitzitten. Dat er desondanks een gedegen onderzoek en een strafzaak volgden, zorgde voor een gevoel van erkenning. In ieder geval door Nederland. De Russische autoriteiten weigerden vanaf het begin medewerking aan het onderzoek. Saboteerden dat zelfs door een – in de woorden van het Openbaar Ministerie – ‘cynische desinformatiecampagne’. Twaalf jaar na dato worstelen de nabestaanden daardoor nog steeds met de vraagstukken rond waarheid, recht en rekenschap. En lopen er procedures bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, de internationale luchtvaartorganisatie ICAO en het Internationaal Gerechtshof om alsnog antwoorden te krijgen op vragen die in de eerste procedure via het strafrecht niet zijn beantwoord. En mogelijk nooit zullen worden beantwoord.
De grenzen van het strafrecht
Zoals Diederik Greive in deze bundel terecht zegt is erkenning niet afdwingbaar in rechte. Hoe zou dat ook moeten? Vergelding door middel van een straf kan wel helpen. Mijn ervaring is dat de manier waarop slachtoffers en nabestaanden worden bejegend in de zittingszaal minstens zo belangrijk is, kijk bijvoorbeeld naar de reactie van Jill Helena. Vinkt de voorzitter op de automatische piloot een lijstje af, of toont hij oprechte belangstelling? Kijkt hij de slachtoffers aan als hij ze welkom heet? Toont hij begrip voor emoties en zegt hij dat ze zich vrij mogen voelen de zaal even te verlaten als het ze te machtig wordt? Het maakt voor nabestaanden en slachtoffers een wereld van verschil.
Tegelijkertijd is het van cruciaal belang dat nabestaanden en slachtoffers van tevoren goed beseffen dat het strafrecht nooit de oplossing biedt. Dat de gevolgen van een misdrijf nooit meer ongedaan kunnen worden gemaakt. Dat een verdachte niet kan worden gedwongen om te bekennen of spijt te betuigen. Dat sommigen er soms zelfs nog een akelige schep leed bovenop gooien, zoals bijvoorbeeld de Utrechtse tramschutter Gökmen T., die tijdens het proces zijn advocaat en de rechters bespuugde en de slachtoffers schoffeerde.
En dan hadden Gökmen T.’s slachtoffers nog het ‘geluk’ dat een rechter zich over hun zaak boog. Van weinig misdrijven wordt aangifte gedaan en van de zaken waarin dat wel gebeurt, komt slechts een klein deel voor de rechter en volgt in een nog kleiner deel een veroordeling. In het beste geval biedt het strafrecht soelaas voor een heel klein percentage slachtoffers.
Erkenning buiten de rechtszaal
Reden voor Rosa Jansen van Slachtofferhulp Nederland om in haar bijdrage over online misdrijven te pleiten voor een andere oplossing. Niet in plaats van, maar naast het strafproces. Dat sluit aan op het pleidooi van Greive, die zich verzet tegen de ‘erkenningstirannie’ waarin het herstel van het slachtoffer afhankelijk is van het empathisch vermogen en de communicatieve vaardigheden van de dader, of van de overheid. Zet in op het versterken van de autonomie van het slachtoffer, zegt Greive. En dat is wat ook Jansen bepleit. Alleen gaat zij nog verder. Ieder slachtoffer komt in aanmerking voor hulp, vindt zij. Ook als er geen aangifte is gedaan, geen dader is geïdentificeerd en niemand is veroordeeld. In alle gevallen moet de schade die het slachtoffer heeft geleden worden erkend en moet er ondersteuning worden geboden. Gezien de omvang van de problematiek lijkt dat een ambitieuze doelstelling. Maar wel een die het verdient om onderzocht te worden.
Lees verder in Erkenning na onrecht
Erkenning voor aangedaan leed is een fundamentele behoefte van slachtoffers en nabestaanden. Toch blijkt het in de praktijk vaak moeilijk om die erkenning op een passende manier te bieden. In deze bundel, onder redactie van Jos de Keijser, belichten wetenschappers en professionals uit de praktijk de verschillende vormen van erkenning en de (morele) schade die kan ontstaan wanneer erkenning uitblijft.
Aan de hand van onder meer de MH17-ramp, de toeslagenaffaire, de gaswinning in Groningen, zedenzaken en het mortierongeval in Mali onderzoeken de auteurs welke rol de overheid, justitie, hulpverleners en de samenleving spelen. Ook komen thema’s als spreekrecht, schadevergoeding en aangifte aan bod. De centrale vraag is steeds: hoe kunnen we beter luisteren naar slachtoffers en nabestaanden, hun ervaringen serieus nemen en op een oprechte en passende manier bijdragen aan hun herstel?
In het slothoofdstuk beschrijven de Keijser en Kunst hoe instanties beter kunnen omgaan met slachtoffers en nabestaanden door ‘trauma-geïnformeerd’ te werken. Dit betekent dat bijvoorbeeld juristen, politieagenten of verzekeringsmedewerkers meer rekening kunnen houden met de gevolgen van een trauma. Bijvoorbeeld door geen onverwachte, directe vragen over het trauma te stellen, maar te informeren of het slachtoffer of de nabestaanden over de gebeurtenis kan en wil praten.










