De vraag naar psychische hulp voor kinderen en jongeren neemt al jaren toe. Rond 2000 kreeg ongeveer 1 op de 27 kinderen jeugdhulp, in 2023 was dat 1 op de 7. Tegelijkertijd kampt de jeugdzorg met te weinig geld en personeel, lange wachtlijsten en onvoldoende effectiviteit.
Binnen de psychische hulpverlening verschuift de aandacht ondertussen van het toewijzen van individuele ‘stoornissen’ naar het begrijpen van de psychische processen en omgevingsfactoren die aan klachten ten grondslag liggen. Dat vraagt om een andere manier van diagnosticeren en behandelen, waarbij ook kinderen, jongeren en hun ouders actief worden betrokken.
‘BOAM-zelfdiagnostiek’ sluit aan bij deze ontwikkeling. De methode combineert universele psycho-educatie met verklarende gezinsdiagnostiek in nauwe samenwerking met het gezin zelf. Dit heeft als doel gezinnen meer inzicht, onderling begrip en autonomie te geven bij de aanpak van psychische problemen.

Onbewust stoornisdenken
De wens om geen ‘stoornissen’ meer toe te wijzen hangt samen met de nadelen van het klassieke stoornisdenken. Hieronder wordt beschreven welke nadelen dit zijn, hoe ze zijn ontstaan en hoe deze ook nog de ontwikkeling van het transdiagnostische werken lijken te belemmeren.
De ontstaansgeschiedenis van het stoornisdenken
Halverwege de vorige eeuw maakten de DSM-classificaties onderzoek mogelijk onder grote groepen mensen met vergelijkbare psychische symptomen. Dit heeft veel wetenschappelijke kennis opgeleverd. Vervolgens gingen we hetzelfde classificatiesysteem ook gebruiken als uitgangspunt voor individuele diagnostiek. Dat had geen problemen veroorzaakt als duidelijk was gebleven waarvoor de classificaties bedoeld zijn: een manier om veelvoorkomende symptoomcombinaties te beschrijven.
Maar het probleem is dat in de DSM de term ‘stoornis’ gekoppeld werd aan de classificaties. Dit wekt makkelijk de onjuiste indruk dat een DSM-classificatie de psychische symptomen niet slechts beschrijft maar ook verklaart waarom die symptomen er zijn. Deze denkfout heet reïficatie. Van daaruit kan identificatie ontstaan: we ervaren de classificatie onterecht als een onveranderlijk persoonskenmerk. Vanuit reïficatie en identificatie kan vervolgens stigmatisering ontstaan. Ook kan toewijzing van meerdere ‘stoornissen’ de onterechte indruk wekken dat er meerdere onveranderlijke persoonskenmerken een rol spelen, terwijl onze individuele symptoomcombinatie in werkelijkheid niet altijd te categoriseren valt binnen één classificatie.
Deze opeenstapeling van denkfouten blijkt psychisch schadelijk te zijn voor cliënten. Dit probleem noemen we het ‘stoornisdenken’ . Inmiddels is dit stoornisdenken echter uitgegroeid tot een dominant denkkader voor het verklaren en begrijpen van psychische problemen en vormt al decennia het raamwerk van onze klassieke hulpverlening. Ook in het sociaal-culturele denkkader van kinderen, jongeren en volwassenen heeft zich zo een ‘fatalistisch stoornisverhaal’ ontwikkelt, waarbinnen psychische problemen als een individueel kenmerk worden ervaren die diepgaande verandering onmogelijk maken, en zo leidt tot ‘aangeleerde hulpeloosheid’.
Stoornisdenken belemmert het optimaal betrekken van ouders
Kinderen en jongeren zijn psychisch nog volop in ontwikkeling en sterk afhankelijk van hun omgeving, in het bijzonder van hun ouders. Ook bij goedbedoelende ouders kan hun eigen welzijn, hun opvoeding en de ouder-kindrelatie onbewust een rol spelen bij het ontstaan en in stand houden van psychische problemen. Hun indirecte, vanzelfsprekende opvoedkeuzes kunnen bijvoorbeeld van invloed zijn, zoals rondom schoolprestaties, sociale media en de bredere sociale leefomgeving.
Maar juist het bespreken van deze belangrijke ouderlijke invloed lijkt door het stoornisdenken lastig geworden, ook nog binnen het transdiagnostische werken. Vragen over de opvoeding kunnen door ouders logischerwijs ervaren worden als een indirecte beschuldiging dat hun kind door hun schuld een ‘stoornis’ heeft ontwikkeld. Dit maakt het gesprek over opvoeding onnodig beladen. Ook binnen het transdiagnostische werken richt de hulp zich daarom nog vaak hoofdzakelijk op het individuele kind of de jongere en draait ouderbegeleiding vaak om het ‘leren om gaan met de problemen van het kind’, wat het stoornisdenken indirect kan versterken.
De cognitieve herstructurering van onze oude denkkaders vraagt nog tijd. Hoe komen we met elkaar tot een nieuw, duidelijk en constructief verhaal?
Transclassificerend werken: een duidelijk verhaal over stoornisvrije diagnostiek
De transdiagnostische benadering probeert de nadruk te verleggen van beschrijvende classificaties naar de factoren en psychische processen die de symptomen verklaren. Maar de term ‘transdiagnostisch’ lijkt even ongelukkig gekozen als de term ‘stoornissen’. Het is immers niet de diagnostiek zélf die we willen overstijgen maar het gebruik van de DSM-classificaties als denkkader daarvoor. Diagnostiek is en blijft belangrijk want een goed begrip van een probleem is altijd essentieel voor het bedenken van een effectieve aanpak. Kinderen, jongeren en hun ouders komen juist naar de hulpverlening om psychische problemen te onderzoeken, begrijpen en verklaren.
Een ‘transclassificerende’ benadering beschrijft nauwkeuriger wat we bedoelen. Daarbinnen kan stoornisvrije, verklarende diagnostiek centraal staan en de taal van de DSM-classificaties nog steeds gebruikt worden om symptomen te herkennen en beschrijven.
Deze vorm van diagnostiek kan bovendien makkelijker in volledige samenwerking met het gezin plaatsvinden. Maar om dit op een zinvolle, verantwoorde manier te doen is kennisoverdracht essentieel. Zonder voldoende kennis van psychische processen en de rol van opvoeding en omgeving, kunnen kinderen, jongeren en ouders hun problemen moeilijk verwoorden, analyseren en begrijpen.
Met psycho-educatie kan een reële basis ontstaan voor gezamenlijke, verklarende diagnostiek. Deze psycho-educatie moet universele basiskennis bevatten over o.a. de ontwikkeling en werking van de psyche, psychische basisbehoeften, onbewuste psychische processen en overtuigingen, de subjectiviteit van onze realiteitsbeleving en hoe gedachten, gevoelens, gedrag en relaties elkaar beïnvloeden.
Universele psycho-educatie kan de psychische problemen op een ontschuldigende manier helpen verklaren, en is niet alleen op het kind of de jongere toepasbaar maar ook op de ouders. Dat maakt ontschuldigende opvoeddiagnostiek en gezinsdiagnostiek mogelijk. Op een emotioneel veilige manier kan zo een functioneel opvoedverhaal ontstaan dat tegenwicht biedt aan het stoornisverhaal, de opvoedautonomie van ouders versterkt en aansluit bij de bestaande krachten van het gezin voor een constructieve aanpak van de psychische problemen.
BOAM-zelfdiagnostiek: stoornisvrij, verklarend en ontschuldigend
BOAM-zelfdiagnostiek is een praktische methode voor transclassificerend werken in volledige samenwerking met het gezin. Het standaardiseert gestructureerde gezinsbehandeling voor kinderen, jongeren en jongvolwassenen met uiteenlopende psychische problemen.
Kinderen, jongeren en hun ouders krijgen samen psycho-educatie. Deze bestaat uit tien visuele BOAM-modellen waarin de psyche wordt uitgelegd aan de hand van een boom. De modellen zijn gebaseerd op de BOAM-theorie, die algemene kennis uit de ontwikkelingspsychologie, neuropsychologie, pedagogiek en sociologie met elkaar verbindt in een eenvoudig raamwerk voor het kijken naar psychische gezondheid en psychische problemen. Dit maakt de psycho-educatie ontschuldigend, stoornisvrij en universeel toepasbaar op mensen met verschillende leeftijden, sociaal-culturele achtergronden en identiteiten.
Elk model wordt samen met het gezin toegepast op hun individuele situatie. Zo ontstaan een persoonsdiagnose van het kind of de jongere, opvoeddiagnoses van de ouders en een gezinsdiagnose van de gezinsdynamiek. Deze diagnoses verklaren de problemen altijd op een logische en ontschuldigende manier.
De ontschuldigende modellen en de hoge mate van eigen regie maakt het voor de ouders emotioneel veilig om diepgaand te reflecteren op de opvoeding en ouder-kindrelaties. Dit vervult hun eigen behoefte aan goed ouderschap en geeft hun de kans om als dagelijks aanwezige opvoeders, hechtingsfiguren en rolmodellen de grootste gamechangers te worden bij het psychisch herstel van hun kind.
Dat ook opvoeddiagnostiek en gezinsdiagnostiek onderdeel zijn, samen met de afwezigheid van stoornissen en optimale eigen regie, kan vaak ook hulpmijdende jongeren over de hulpverleningsdrempel helpen.
De BOAM-theorie: afstemmingvan nurture op nature
De BOAM-theorie stelt dat de psyche zich gezonder ontwikkelen naarmate nurture tijdens de jeugd beter is afgestemd op nature. Met afgestemde nurture wordt bedoeld dat levenstempo, omstandigheden, opvoeding en gebeurtenissen voldoende aansluiten bij het aangeboren ontwikkeltempo en de fysieke en emotionele basisbehoeften van een kind. Hierdoor kan het zenuwstelsel voldoende uitrijpen en een positief-realistisch referentiekader ontstaan over het zelf, anderen, de wereld en het leven.
Het zenuwstelsel en het referentiekader bepalen samen de onbewuste ordeningsprocessen waarmee later in het leven nieuwe omstandigheden en situaties worden geïnterpreteerd. Hoe beter de realiteitsbeleving overeenkomt met de werkelijkheid, hoe functioneler gedachten, gevoelens en gedragsstrategieën kunnen zijn.
Tijdens de jeugd kan nurture onvoldoende afgestemd raken op nature waardoor verstoring ontstaat. Naast verwaarlozing en trauma is chronische overvraging een relatief moderne vorm van verstoring, volgens de BOAM-theorie. Chronische overvraging ontstaat bij onafgestemde nurture die meestal samenhangt met onze maatschappij, het schoolsysteem en sociale media. Ook verwenning wordt gezien als een vorm van verstoring maar één die vaak ontstaat als een onbewuste opvoedreactie van ouders op de chronische overvraging van hun kind.
Elke vorm van verstoring heeft invloed op de psychische ontwikkeling. Het maakt dat het zenuwstelsel onvoldoende uitrijpen en/of het referentiekader zich onvoldoende positief-realistisch ontwikkelen. Zo kan in nieuwe situaties een realiteitsbeleving ontstaan die onvoldoende overeenkomt met de realiteit en logischerwijs leidt tot minder functionele gedachten, gevoelens en gedragsstrategieën.
Binnen de BOAM-theorie kunnen psychische problemen zo steeds begrepen worden als logisch gevolg van wat een kind of jongere is overkomen tijdens de psychische ontwikkeling, in de context van het gezin en omgevingsfactoren.
Optimale autonomie met een concreet herstelplan
Psychisch herstel bestaat binnen de BOAM-theorie uit drie stappen: erkenning, ontlading en vervulling. Erkenning betekent het uitspreken van begrip voor de logica van de realiteitsbeleving achter gedachten, gevoelens en gedrag, gezien de onafgestemde nurture die het kind of de jongere is overkomen. Ontlading betekent dat opgebouwde emoties op een onschadelijke manier kunnen worden geuit. Daarna kan mentale ruimte ontstaan voor de vervulling van de psychische basisbehoeften die onder druk staan.
Deze stappen staan op het laatste BOAM-model en worden toegepast op de persoonsdiagnose van het kind of de jongere. Zo krijgen de ouders concrete handvatten voor functionele opvoedreacties op de psychische problemen van hun kind. Hiermee kunnen zij herstelervaringen bieden en cognitieve herstructurering.
Daarnaast wordt in de laatste sessie samen een herstelplan gemaakt dat het gezin het komende half jaar thuis kan uitvoeren, zodat nurture beter afgestemd raakt op nature. Daarbij wordt gekeken naar de basisbehoeften: verbondenheid, positieve aandacht, passende levenservaringen, rust, structuur&voorspelbaarheid en bescherming.
Tijdens BOAM-zelfdiagnostiek werkt het gezin als standaard behandeldoelen aan; individueel zelfinzicht, inlevingsvermogen in elkaar en relatieherstel. Zo kan een goede basis ontstaan voor het zelfstandig uitvoeren van het herstelplan. Mocht er toch nog vervolghulp nodig zijn dan kan deze zich vaak beperken tot ondersteuning bij het herstelplan.
Inzetten op de autonomie van het gezin kan zowel psychische problemen duurzaam helpen herstellen als de jeugdzorg helpen ontlasten.
Wetenschappelijke onderbouwing
Het behandelprotocol van BOAM-zelfdiagnostiek is wetenschappelijk onderbouwd door dr. Eva Potharst. Daarnaast schreef zij bij elk BOAM-model een wetenschappelijke onderbouwing die, in aanvulling op de therapeutenhandleiding, te lezen zijn op boom.nl.
Meer lezen in BOAM-zelfdiagnostiek
BOAM-zelfdiagnostiek is ontwikkeld door Damiët Truijens. De handleiding bevat de tien BOAM-modellen met een uitgebreide tekstuele uitleg. Het behandelprotocol beschrijft de vaste sessiestructuur met praktische aanwijzingen voor de psycho-educatie, diagnostiek en gezinsbegeleiding. De methode is breed inzetbaar en direct toepasbaar.
Bij de uitvoering van de methode zijn de BOAM-psycho-educatie (tafelflip-over) en het BOAM-werkboek met de modellen, diagnostische oefeningen en diagnosedocumenten nodig.




