Een man doodt zijn vader. Tijdens het psychiatrisch onderzoek blijkt dat hij ten tijde van het delict leed aan een psychotische stoornis. Hij verkeerde in de overtuiging dat zijn vader hem wilde doden en zag zijn handelen als zelfverdediging. Voor de strafrechter ontstaat daarmee een klassieke maar ingewikkelde vraag: in hoeverre kan dit delict de verdachte worden toegerekend?
Het begrip toerekeningsvatbaarheid vormt een centraal element in het strafrechtelijk omgaan met psychische stoornissen. Tegelijkertijd is het juridisch en psychiatrisch moeilijk scherp te definiëren en bevindt de beoordeling zich op het snijvlak van recht, psychiatrie en morele verantwoordelijkheid. Bovendien is die beoordeling in beweging, onder invloed van recente jurisprudentie en richtlijnontwikkeling.

Dit artikel is gebaseerd op het hoofdstuk Toerekeningsvatbaarheid van Ko Hummelen en Gerben Meynen uit het Leerboek forensische psychiatrie.
Het juridisch uitgangspunt
Het Nederlandse strafrecht gaat uit van het principe dat iemand verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn gedrag. Strafbare feiten worden daarom in beginsel aan de dader toegerekend. Artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht vormt daarop een belangrijke uitzondering. Daarin staat dat iemand niet strafbaar is wanneer een feit hem niet kan worden toegerekend wegens een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De toepassing van dit artikel vereist dat de rechter inzicht krijgt in de psychische toestand van de verdachte ten tijde van het delict. Omdat die kennis buiten het domein van het recht ligt, wordt vaak een forensisch psychiatrisch of psychologisch onderzoek verricht. Daarmee ontstaat een bijzondere situatie: gedragsdeskundigen leveren een analyse van het functioneren van de verdachte, terwijl de uiteindelijke juridische beoordeling bij de rechter ligt.
Stoornis en delict: het probleem van het betekenisverband
In forensisch psychiatrisch onderzoek staat de relatie tussen stoornis en delict centraal. Daarbij wordt vaak gesproken over een betekenisverband tussen de psychische stoornis en het gedrag van de verdachte. Dit verband kan verschillende vormen aannemen. Soms heeft een stoornis invloed op het inzicht van de verdachte in zijn handelen, bijvoorbeeld wanneer iemand vanuit een waan niet begrijpt dat zijn gedrag wederrechtelijk is. In andere gevallen tast de stoornis vooral de controle over het gedrag aan. In de literatuur wordt daarom vaak onderscheid gemaakt tussen:
- cognitieve beïnvloeding, waarbij het inzicht in de realiteit of in de wederrechtelijkheid van het handelen is verstoord
- voluntatieve beïnvloeding, waarbij het vermogen tot gedragsregulatie wordt aangetast.
Het vaststellen van zo’n verband blijft echter complex. Een strikt causaal verband tussen stoornis en delict kan nooit volledig worden aangetoond. Twee personen met dezelfde stoornis kunnen immers heel verschillend handelen. Daarom wordt in de praktijk gezocht naar een plausibele interpretatie van het gedrag van de verdachte binnen zijn persoonlijke en sociale context.
Kader: veelvoorkomende valkuilen bij de beoordeling van toerekeningsvatbaarheid
- De aanwezigheid van een psychische stoornis betekent niet automatisch dat een delict daardoor is veroorzaakt. In forensisch onderzoek gaat het niet alleen om diagnostiek, maar vooral om de vraag hoe de stoornis het gedrag op dat moment heeft beïnvloed.
- Achteraf redeneren vanuit de diagnose. Wanneer eenmaal een stoornis is vastgesteld, bestaat het risico dat het delictgedrag retrospectief vanuit die diagnose wordt geïnterpreteerd. In werkelijkheid kan hetzelfde gedrag ook andere verklaringen hebben, zoals contextfactoren, middelengebruik of persoonlijkheidskenmerken.
- Het causaliteitsprobleem onderschatten. Een strikt causaal verband tussen stoornis en delict kan zelden worden aangetoond. Gedrag ontstaat vrijwel altijd uit een samenspel van psychische, sociale en situationele factoren.
- Te snel in gradaties denken. Schaalverdelingen zoals “verminderd toerekeningsvatbaar” suggereren soms een mate van precisie die in de praktijk niet bestaat. De invloed van een stoornis laat zich niet exact kwantificeren.
- De juridische vraag uit het oog verliezen. Forensisch psychiatrisch onderzoek richt zich uiteindelijk op een juridische vraag: in hoeverre kan het delict aan de verdachte worden toegerekend? Dat vereist niet alleen diagnostiek, maar ook een begrijpelijke argumentatie richting de rechter.
Een begrip onder discussie
Binnen de forensische psychiatrie en rechtswetenschap bestaat al langere tijd discussie over het begrip toerekeningsvatbaarheid zelf. Een belangrijk punt van kritiek is dat het begrip sterk juridisch van aard is, terwijl het advies daarover vaak afkomstig is van gedragsdeskundigen. Sommigen pleiten er daarom voor dat psychiaters en psychologen zich beperken tot het beschrijven van de invloed van een stoornis op het gedrag, zonder een expliciet oordeel over de mate van toerekening te geven.
Terug naar de casus
In de casus van de man die zijn vader doodt vanuit een psychotische overtuiging lijkt het verband tussen stoornis en delict op het eerste gezicht duidelijk. Toch blijft ook hier de beoordeling complex. De vraag is niet alleen of de verdachte een psychose had, maar vooral hoe die psychose zijn handelen heeft beïnvloed. Had hij nog enig besef van alternatieve handelingsmogelijkheden? In welke mate bepaalde de waan zijn interpretatie van de situatie? Het beantwoorden van zulke vragen vraagt niet alleen diagnostische kennis, maar ook een interpretatie van het handelen van een unieke persoon in een specifieke context.
Conclusie
Toerekeningsvatbaarheid is een kernbegrip in het strafrechtelijk omgaan met psychische stoornissen, maar tegelijkertijd een concept dat moeilijk scherp af te bakenen is. Het centrale vraagstuk blijft steeds hetzelfde: in welke mate heeft een psychische stoornis het gedrag van de verdachte beïnvloed?
Verder lezen: Leerboek forensische psychiatrie
Dit leerboek biedt een heldere inleiding in de forensische psychiatrie en laat zien wat dit vakgebied onderscheidt van de algemene psychiatrie. Thema’s als de relatie tussen psychiatrie en recht, rapportage aan de rechtbank, risicotaxatie, risicomanagement, psychopathologie en comorbiditeit worden behandeld vanuit zowel Nederlands als Vlaams perspectief.



