De benodigde gesprekstechniek bij gezinnen in crisis lijkt op het eerste gezicht niet anders dan in andere situaties. Toch zijn er verschillen tussen crisissituaties en regulier geplande afspraken. Systemen in crisis vertonen een hoog niveau van stress, met daarbij (1) een sterke verwachting dat de zorgverlener een oplossing biedt, (2) een sterk focus op een bepaalde interventie en (3) een sterke angst voor verandering. Er wordt een zware inhoudelijke verantwoordelijkheid bij de zorgverlener gelegd om te komen tot een voor het gezin acceptabele oplossing. Om de eigen emoties te kunnen hanteren is het helpend om een aantal ‘regels’ te volgen.
Dit artikel is gebaseerd op hoofdstuk 7 uit het boek Crisisinterventie bij jongeren van Pierre Herpers en Conny Neumann.

1 Focus van de crisisinterventie
Het algemene doel van crisisinterventie is het de-escaleren van de acute crisis en het (opnieuw) in gang zetten van een behandelproces. Om dat doel te bereiken zal tijdens crisisinterventie de kern van het probleem aandacht moeten krijgen. Wat die kern is, is regelmatig moeilijk te bepalen vanwege de vele problematische onderwerpen die tijdens de beoordeling op tafel komen. Onderscheid maken tussen de kern van het probleem en ‘de ruis eromheen’ is essentieel.
2 Heb aandacht voor de eigen belevingen
De behandelaar moet oor hebben voor gedachten, emoties en behoeftes bij de jongere en diens ouders, maar ook alert zijn op wat die informatie bij hemzelf oproept aan emoties en (ongecensureerde) gedachten. Om helder te kunnen nadenken moet de zorgverlener deze gedachten en emoties kunnen plaatsen en hanteren. De eigen belevingen kunnen ook ingezet worden als diagnostische informatie en zodoende gebruikt worden. Hoe en of de eigen gedachten en emoties bespreekbaar gemaakt moeten worden zal per situatie verschillen.
Vaak zal de zorgverlener zich steunend tonen, maar soms moet dit ook begrenzend zijn. Geobserveerd gedrag mag benoemd worden en ook hoe dit ervaren wordt, los van de intentie van het gedrag. Daarmee is de zorgverlener eerlijk naar zichzelf én naar de ander en toont hij zich authentiek en menselijk.
3 Helderheid over verwachtingen
Het komt regelmatig voor dat behandeling van jongeren met aanhoudende sociaal-emotionele problematiek op enig moment geen verbetering meer laat zien. De behandeling lijkt dan vast te zijn gelopen. De dagelijkse praktijk leert dat ‘vastgelopen’ behandelingen vaak veroorzaakt worden door niet afgestemde verwachtingen.
Daarnaast dient er aandacht te zijn voor onderwerpen die niet in de behandeling aan bod zullen of kunnen komen, of waar de zorgverlener expliciet geen verantwoordelijkheid voor draagt. Zo kan ervoor gekozen worden om specifieke behandelingen (zoals medicatie of traumabehandeling) nog
niet in te zetten vanwege de ernst van de crisis of de ernst van het vermijdingsgedrag van de jongere. De zorgverlener is verantwoordelijk voor het goed inzetten (en daarmee zo nodig ook het achterwege laten) van bestaande behandelmethoden, maar niet voor het ‘beter maken’ van de jongere.
4 Maak het onbesprokene bespreekbaar
De hoge druk, blikvernauwing en veranderhuiver bij de jongere en ouders maken dat de zorgverlener minder geneigd is om samen te vatten en door te vragen, maar eerder insteekt op het aanbieden van een hoopgevende oplossing. Daardoor loopt de zorgverlener de kans mis om onbesproken thema’s op tafel te krijgen. Deze onbesproken thema’s bevatten echter nogal eens de sleutel om tot verbetering te komen, zoals geheimen of conflicten die er binnen het gezin leven. Maak daartoe bespreekbaar wat in het verhaal van de ander consistent lijkt over te komen en wat nog niet en waarom niet. Blijf nieuwsgierig als het besprokene niet helder is.
5 Gezamenlijke besluitvorming
Bij de zoektocht naar hoe een jongere en ouders weer hun eigen kracht kunnen vinden, is gezamenlijke besluitvorming cruciaal. Alle partijen brengen hun eigen expertise in om tot keuzes te komen. Het is hierbij belangrijk om niet alleen helderheid te krijgen over de ontstane crisis, maar ook over hoe de bij de crisis betrokken mensen kijken naar de zorgverlener. Mensen kijken naar zorgverleners zoals ze kijken naar een verkoper in een winkel: weet hij waar hij over praat? Is hij correct? Is hij vriendelijk? Is hij betrokken? Hoe gaat hij om met mijn vragen en klachten?
Voor een gezamenlijke besluitvorming moet niet alleen afgestemd, maar soms ook onderhandeld worden. Onderhandeling vormt daarom vaak een essentieel onderdeel van crisisinterventie. Net als bij reguliere zorg geldt ook bij crisisinterventie dat het niet altijd gaat om lineaire verbanden zoals ‘bij diagnose A hoort behandeling B’. Vaker zijn er verschillende alternatieven qua behandeling beschikbaar. Het hebben van een model om te verhelderen wat er speelt kan helpen om te bespreken wat de kern van het probleem is. Van daaruit kan gewerkt worden naar een gezamenlijk gedragen behandeldoel, behandelplan en passende interventies.
6 Wees zacht op de vorm, maar hard op de inhoud
Wanneer een zorgverlener een advies geeft over (de vormgeving van) een behandeling komt het in crisissituaties nogal eens voor dat een van de betrokken gezinsleden twijfelt over dit advies. Hier kunnen goede redenen voor bestaan. Echter, als er te veel wordt meegegaan in de gedachtegang van de jongere en ouders, dan bestaat er een kans dat de geboden behandeling onvoldoende effectief zal zijn. Ineffectieve behandeling kan betekenen dat er geen verbetering optreedt of zelfs dat de situatie verslechtert.
Ineffectieve behandeling tast de geloofwaardigheid van de zorgverlener aan en vormt daarom een uitdaging voor de zorgverlener. Deze wil niet in een ‘strijd’ terechtkomen en de boodschap geven ‘het beter te weten’. Tegelijkertijd mag van de zorgverlener deskundigheid verwacht worden en daarmee ook een mening. De zorgverlener moet zich blijven richten op de inhoudelijke discussie en mag zich daarin standvastig tonen, terwijl hij tegelijkertijd zich ook menselijk in het contact toont.
7 Verantwoordelijkheden
Jongeren en ouders leggen de verantwoordelijkheid voor het oplossen van het probleem vaak bij de zorgverlener. Tegelijkertijd hebben jongere en ouders een belangrijke rol. Zelfs als het gaat om veiligheidsthema’s bij suïcidaliteit en voedselweigering blijft de jongere de eerste verantwoordelijke. Deze is namelijk degene die de levensbedreigende handelingen uitvoert of dreigt uit te voeren. De zorgverlener speelt eerder een coachende rol.
Voor een coachende rol is het nodig om helder te houden wie waarvoor verantwoordelijk is. Hier ontstaat nogal eens verwarring over omdat iedereen hetzelfde doel voor ogen heeft: herstel van de gezondheid van de betreffende jongere. Dan lijkt het er al snel op dat iedereen ook dezelfde verantwoordelijkheden heeft, en zich dus actief moet inzetten om de jongere ‘beter’ te maken. Maar welbeschouwd heeft iedere betrokkene een andere ‘opdracht’ om dit doel te bewerkstelligen.
Conclusie
Een gesprek voeren tijdens een crisis vergt meer kennis en kunde dan alleen het inventariseren, ordenen, samenvatten en het doen van een behandelvoorstel. In een crisisgesprek wordt vaak veel besproken, maar vindt ook veel non-verbaal gedrag plaats en wordt niet altijd alles besproken. Bovenstaande ‘regels’ pogen handvatten te geven om met het onbesprokene om te gaan.
Verder lezen: Crisisinterventie bij jongeren
Aanhoudende sociaal-emotionele problemen van jongeren drukken zwaar op een gezin. Denk aan: internaliserende problematiek, zoals angst- of dwangklachten en eetproblemen, zelfdestructief gedrag als krassen of zelfmoordpogingen, en externaliserende problematiek waarbij agressie komt kijken. Voor sommige jongeren werkt hulp hierbij onvoldoende en ontstaat de ene crisissituatie na de andere. Niet alleen de jongere zelf en het gezin voelen zich machteloos, maar de betrokken zorgverleners soms ook.



